Rieme-Noord, Belgie: van jeneverbos tot berkenbos

Laatglaciaal paleo-ecologisch onderzoek

In het uitgestrekte dekzand gebied van NW België zijn in de omgeving van Rieme veranderingen in het Laatglaciale landschap bestudeerd. Menselijke bewoning aldaar vond plaats vanaf het Laat Paleolithicum en het gebied is gedurende de Steentijd lange tijd bewoond geweest. Het gebied wordt gekarakteriseerd door de aanwezigheid van een grote O-W lopende dekzandrug die aan de noordkant een zacht glooiend profiel heeft en aan de zuidkant met een steile helling afdaalt naar de Moervaart depressie.
Het paleoecologische onderzoek vond plaats in samenwerking met de Universiteit Gent die in het gebied al jaren onderzoek doet. De ontwikkeling van het landschap en de vegetatie werd gereconstrueerd aan de hand van verschillende onderzoeksmethoden waarbij geomorfologische, sedimentologische, botanische en zoölogische analyses werden toegepast. Het zwaartepunt lag op onderzoek aan stuifmeel (pollen), zaden en vruchten (botanische macroresten). De analyse werd uitgevoerd aan drie sedimentprofielen die ongeveer 200-300 m van elkaar verwijderd waren. Aan de hand van AMS 14C dateringen kon de chronologie van de afzettingen bepaald worden. Ook werd bij één sedimentprofiel gekeken naar de aanwezigheid van fossiele dansmuglarven (Chironomidae). Met behulp chironomidenonderzoek kunnen schommelingen in temperatuur, voedselrijkdom en waterdiepte van het meerwater in het verleden bestudeerd worden.

Het onderzoek laat zien dat door de opwarming van het klimaat aan het begin van het Laatglaciaal, zo’n 14,000 jaar geleden, de permafrost begon af te smelten waardoor het grondwater in het gebied langzaam steeg. Hierdoor konden zich op de noordzijde van de dekzandrug ondiepe poeltjes en zeggenmoerassen vormen. Gelijkertijd ontstond in de depressie aan de zuidkant van de rug een diep en uitgestrekt meer. Door de opwarming van het klimaat en de grondwaterstijging veranderde de toendra vegetatie met jeneverbes, dwergberk en wilg op de dekzanden gedurende deze periode geleidelijk in een open berkenbos met populier.
De botanische en chironomiden data geven aan dat in er één van de onderzochte meertjes grote veranderingen plaatsvonden in  de voedselrijkdom en het kalkgehalte van het water en in het waterniveau. Waarschijnlijk maakte dit meertje af en toe een connectie met een groter zuidoostwaarts gelegen meer. In eerste instantie waren er  voornamelijk waterplanten met ondergedoken bladeren en kranswieren in het meer aanwezig. Naarmate het meer dieper werd kon zich ook een open water vegetatie met grote drijvende bladeren (zoals waterlelie en gele plomp) vestigen.
Rondom het meer bevond zich een rietkraag met daarachter een vegetatiegordel met wilg, berk en populier. In de rietlanden trad regelmatig brand op. Ook zijn er aanwijzingen gevonden dat grote herbivoren zoals eland in het gebied foerageerden. Het is mogelijk dat de branden door de mens zijn aangestoken, eventueel om de plantengroei van grassen en kruiden te stimuleren waardoor wild aangetrokken kon worden. In deze periode gebruikte de laatpaleolithische mens het noordelijke deel van de dekzandrug waarschijnlijk als jachtgebied, terwijl men zich bij voorkeur vestigde in tijdelijke kampementen aan de zuidkant nabij het grote, diepe Moervaart meer.

Plaatje: Afb. 6 Reconstructie van het landschap, uit het Vegetation History and Archaeobotany artikel (Nederlandse versie wordt nog aangeleverd)