Het grafritueel in de Romeinse tijd

Wat we weten van grafvelden uit de Romeinse tijd, is dat deze buiten de nederzettingen lagen aan de uitvalswegen. Het is namelijk volgens de wet verboden om overledenen binnen de nederzetting te cremeren en te begraven. Buiten de nederzetting bleven de doden toch in de herinnering van de nabestaanden: de graven lagen op kleine afstand van de nederzetting en door de markering van de graven waren ze goed zichtbaar.
Aangenomen wordt dat de ligging van graven op het platteland gemarkeerd werd door weinig monumentale grafheuvels. Stenen monumenten en hoge grafheuvels (zogenaamde tumuli) ontbreken.Wel waren deze (lage) grafheuvels vaak voorzien van een randstructuur: bijvoorbeeld een cirkel van palen, maar veelal een ronde of rechthoekige (kring)greppel. In de huidige reconstructies worden deze randstructuren extra geaccentueerd door de heuvels zelf niet tot aan de greppels te laten doorlopen. Daarnaast wordt verondersteld dat de grond uit de kringgreppel gebruikt is voor het opwerpen van de grafheuvel.
Het zijn vooral de kringgreppels die nog resteren van het grafveld. Regelmatig wordt binnen de kringgreppel een crematiegraf aangetroffen, maar soms ontbreekt ieder spoor hiervan. Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat grafkuilen op een veel hoger niveau werden ingegraven. Ook zou het kunnen zijn dat onder sommige grafheuvels nooit een graf heeft gelegen.
Aan de hand van eerder onderzoek en op basis van historische literatuur kan gesteld worden dat het tot halverwege de 3e eeuw gebruikelijk was de overledenen te cremeren, daarna werd begraven (inhumatie) steeds populairder. Voorafgaand aan de crematie werd de overledene gewassen en gezalfd. Soms werd het lichaam voor korte of lange tijd opgebaard. Vervolgens werd de overledene naar de brandplaats gebracht. Dit kon een centrale brandplaats zijn, die meerdere malen werd gebruikt. Er zijn echter ook voorbeelden van brandplaatsen die waarschijnlijk maar één keer zijn gebruikt. Bij de brandstapel konden nabestaanden persoonlijke bezittingen, voedsel en drank op en bij de brandstapel hebben geplaatst. Ook kan er een maaltijd zijn gehouden.
Na de crematie werden de verbrande botresten verzameld in een omhulsel van bijvoorbeeld textiel, leer of hout of in een urn van aardewerk. Bij het verzamelen van de resten van de brandstapel vond een selectie plaats: alleen de crematieresten of ook, al dan niet gescheiden, de brandstapelresten. Er komen ook graven voor waar de crematieresten met de brandstapelresten op de plaats van de verbranding werden begraven.
Vervolgens werd het graf aangelegd. De crematie- en eventuele brandstapelresten werden in een kuil gedeponeerd, die opgevuld werd met schone grond, of met resten van de brandstapel. De graven kunnen, zoals aangegeven, gemarkeerd zijn met een grafheuvel en kringgreppel.

Het was gebruikelijk grafgiften mee te geven aan de overledenen in het graf, omdat men geloofde in leven na de dood. Daarnaast werd de weg naar het dodenrijk gezien als reis, waarvoor men ook enkele spullen nodig had.

Tot slot kunnen op een grafveld vondsten (secundaire deposities) worden aangetroffen die afkomstig zijn van ceremonies of maaltijden. Deze ceremonies konden zowel bij de begraving als op een later moment plaatsvinden. De vondsten kunnen zich over het gehele grafveld bevinden, zowel in geïsoleerde kuilen, als in de randstructuren of grafheuvels zelf.