Terponderzoek in Wergea: De vroegste tekenen van de strijd tegen het water

ADC ArcheoProjecten kent een lange traditie van terponderzoek. Door jarenlange ervaring is het mogelijk om zelfs uit de resten van verstoorde terpen belangrijke informatie te halen. Een mooi voorbeeld  is de archeologische begeleiding door de rand van de terp Groot Palma in opdracht van de provincie Fryslân in februari en maart 2009.

Terpen

Terpen vormen, net als een tel in het Midden-Oosten, een schatkamer aan informatie; ze zijn soms al vanaf de IJzertijd bewoond en werden telkens weer opgehoogd. Laag voor laag vertellen ze dus iets over iedere periode. Van deze vindplaats was bekend dat ze deel uitmaakte van een terp die dateert uit de Midden IJzertijd tot en met de Late Middeleeuwen.
De top van de archeologische laag was helaas al verdwenen door eerdere afgravingen en opgenomen in de bouwvoor als gevolg van het ploegen. De terp zelf was dus al grotendeels verdwenen maar de rand was nog nooit onderzocht. Bijzonder daarvan was dat er zich direct onder de bouwvoor nog een archeologische laag bevond die grotendeels intact was.

Kogelpotten

Omdat de zogenaamde Staandemastroute, een vaarroute van Grou naar Leeuwarden, gewijzigd werd, had ADC ArcheoProjecten al in 2005 een vooronderzoek uitgevoerd door middel van twee proefsleuven. Dit proefsleuvenonderzoek leverde voornamelijk archeologische sporen op die wijzen op de periferie van de nabijgelegen terp: sloten, een waterput en vier paalkuilen met restanten hout gelegen in één lijn. In de sloten was geen duidelijk patroon te herkennen maar samen met de waterput zijn het wel typisch sporen die verwacht kunnen worden aan de randen van een bewoonde locatie. Deze resultaten leidden tot het advies om de werkzaamheden voor de Staandemastroute door een archeoloog te laten begeleiden.
Het bleek maar weer dat ook een goed uitgevoerde begeleiding nuttige informatie kan opleveren. De sporen die aan het licht kwamen, dateerden vooral uit de periode vanaf de twaalfde eeuw tot de recente tijd. Zo is een restant van een zestiende- of zeventiende-eeuwse sloot gevonden. In een doorsnede door deze sloot is zeer kleiig veen aangetroffen dat gevormd is onder invloed van de toenmalige Middelzee. Ook zijn in het midden van de put twee afwateringsgootjes van hout aangetroffen, waarvan de datering nog onbekend is. De houten paaltjes uit het vooronderzoek bleken te behoren tot een beschoeiing van een sloot. Bijzonder was de aanwezigheid van een waterput, zo’n vier meter diep en waarschijnlijk uit de twaalfde eeuw, waarin kogelpotten werden gevonden. Om twee kogelpotten zat nog een restant touw om de hals.

Dijkje

In het noordelijke deel van het tracé van de waterweg zijn onverwacht plaggenlagen aangetroffen en terpaardewerk. Daarom is er alsnog een extra proefsleuf aangelegd. Hierbij zijn de resten van een dijkje en een huisterpje aangetroffen. Voordat de huisterp werd opgeworpen, was het gebied mogelijk in gebruik als akker die tegen het opkomend water werd beschermd door een laag dijkje. Hiervan zijn twee fasen teruggevonden. Later is hier overheen een huisterpje aangelegd, opgebouwd uit plaggen. Door de plaggenlaag was een waterput gegraven. Het huisterpje werd aan de zuidzijde begrensd door een sloot, die gedeeltelijk door de tweede dijkfase heen gegraven is. In een latere fase is deze terpsloot iets naar het zuiden verlegd. Het huisterpje kan op basis van het vondstmateriaal gedateerd worden in de Romeinse tijd. Ook het dijkje lijkt nog in deze tijd te zijn opgeworpen.

Het onderzoek door middel van proefsleuven en archeologische begeleiding schetst een mooi plaatje van de vroegste bewoning van dit gebied en de maatregelen die de mens nam om het water buiten de deur te houden.
   

Kogelpotten uit Wergea

     Twaalfde-eeuwse kogelpotten